Bij het Leger des Heils krijgt iedereen een tweede kans, en als het ‘moet’ een derde, vierde….

Yentl Hofs

Het aantal thuislozen is sinds de jaren ’70 afgenomen, de drugsverslaafden daarentegen zijn toegenomen. Één ding is echter hetzelfde gebleven: bij het Leger des Heils is iedereen welkom, elke dag opnieuw. Want iedereen verdient een nieuwe kans.

‘Iedereen verdient een tweede kans, en een derde en een vierde,’ aldus werkbegeleider Sari Hinojo, als ik Workcenter 50/50 van het Leger des Heils opzoek in Zutphen. Om de sfeer te ervaren en een betere indruk te krijgen, heb ik met de begeleiders van 50/50 afgesproken dat ik een middag kom kijken. Er staat harde muziek aan op de achtergrond in de voormalige loods. In de verschillende ruimtes zijn er cliënten druk aan het werk; er wordt geschilderd, er worden schroeven in platen gezet en fietsen gemaakt terwijl een ander vogelhuisjes in elkaar zet.

Iedere ochtend en middag rijdt een busje op en neer naar Eefde waar de cliënten worden opgehaald om een dagdeel te komen werken bij 50/50. Dit zijn mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Zoals mensen met een geestelijke beperking of verslaving, of mensen die via de reclassering hun taakstraf komen uitvoeren. Met hulp van de werkbegeleiders van 50/50 kunnen zij aan het werk in de loods op het industrieterrein in Zutphen.

De producten die er tijdens het werk worden gemaakt, worden verkocht. ‘Dat is vaak via via,’ weet Sandra Hoentjen mij te vertellen. Het zijn nu nog vaak de mensen die al van 50/50 af weten en vragen naar de producten, maar 50/50 en het Leger zijn druk bezig om meer bekendheid te krijgen. ‘Mensen kunnen hier ook naartoe komen als er iets kapot is aan hun fiets. Dat kunnen wij dan weer maken in de fietsafdeling,’ vertelt Sandra. Op de fietsafdeling worden echter niet alleen fietsen gemaakt. Er worden ook oude fietsen opgekocht die dan weer in goede staat worden gemaakt door de cliënten. Maar de grote trots is natuurlijk de Majoorfiets; een gloednieuwe fiets die helemaal door de deelnemers van 50/50 is geproduceerd. De naam heeft zij te danken aan de rangen van het Leger, die eigenlijk hetzelfde zijn als die van het militaire leger.

De kledingbeurs van het Leger des Heils. Foto: Yentl Hofs

Iedereen is welkom

De deelnemers van 50/50 in Zutphen zijn vooral afkomstig van Huis en Haard, een afdeling van het Leger des Heils in Eefde. Huis en Haard is een thuis voor dak- en thuisloze mensen met psychiatrische problemen. In een beschermde woonvorm krijgen deze mensen een eigen kamer en er is vierentwintig uur per dag begeleiding aanwezig. Met hulp van de begeleiding is het de bedoeling dat de cliënten weer langzaam kunnen terugkeren en meedoen in de samenleving.

50/50 sluit daar mooi bij aan. Sari is verantwoordelijk voor de intakes: ‘Ik vraag ze waar ze vandaan komen, of ze ervaring hebben in de arbeidsmarkt en wat ze leuk vinden om te doen.’ Afgewezen word je niet bij 50/50. Iedereen verdient een kans en iedereen is welkom. ‘Als het een dag wat minder gaat, is er morgen weer een dag,’ wordt er gezegd als ik vraag of het ooit is voorgekomen dat er iemand is afgewezen vanwege zijn of haar problemen of verleden. Volgens de werkbegeleiders in Zutphen verdient iedereen een tweede kans, en ook een derde en een vierde; een gedachtegang die je niet bij veel zorginstellingen tegenkomt.

Samen de thuislozenzorg in

Het Leger des Heils is door de jaren heen flink veranderd. Er kwamen leden bij, maar er zijn ook leden opgestapt. Nel Bilder en Aart-Jan Bibo kwamen allebei al vroeg in aanraking met het Leger. Aart-Jan was vijftien jaar oud toen hij heilsoldaat werd, Nel zeventien. Door hun ouders en grootouders, die officieren van het Leger des Heils waren, werden zowel het geloof als de daarbij behorende normen en waarden met de paplepel ingegoten. Ze gingen allebei naar de kweekschool, waar ze de 2-jarige opleiding tot heilsofficier volgden en elkaar leerden kennen. Zoals veel heilsofficier-stellen destijds, kreeg het stel in 1974 een locatie van de thuislozenzorg toegewezen in Utrecht; een gebouw aan de Oud Wijkerveldstraat, waar de thuislozen geen eigen kamer hadden maar in slaapzalen sliepen. ‘Er waren zo’n vier slaapzalen van acht man. Ieder had een stalen af te sluiten kledingkast voor persoonlijke spullen en kleding,’ vertelt Aart-Jan. Wat mij opvalt uit zijn verhaal is dat het vooral om mannen gaat die op straat waren komen te staan. ‘De leeftijd verschilde van negentien tot tachtig jaar. Er waren in die tijd meer mannen thuisloos als vrouwen. Veelal gescheiden mannen of die vastgelopen waren in de samenleving,’ aldus Aart-Jan. Toch was er destijds nog niet veel sprake van drugsverslaafden. Het waren voornamelijk mannen met alcoholproblemen, al geeft Aart-Jan aan dat de eerste drugsverslaafden zich aandienden.

Overdag werd er van de thuislozen verwacht dat ze meewerkten in de dagopvang. Dat was – in tegenstelling tot de verschillende werkzaamheden bij 50/50 – alleen nog maar het ophalen, verwerken en sorteren van gedragen kleding.

Aart-Jan was verantwoordelijk voor de administratie van het huis. Zelf werkten Aart-Jan en Nel in loondienst via een CAO. Het andere geld, waaronder het zakgeld, dat Aart-Jan uitdeelde aan de daklozen, komt van donaties, giften en collectes. ‘De werkenden kregen veertig gulden per week, de ouderen tweeëndertig gulden. De werkende thuisloze verdiende acht gulden voor een week werken. Daarnaast kreeg iedere thuisloze kleedgeld,’ weet Aart-Jan nog precies. Hoewel veertig gulden sowieso niet als een jackpot klinkt, was het vaak dezelfde (vrijdag)avond al opgegaan aan drank. De weekenden, die Aart-Jan werkte op de groep, waren daarom vaak hectisch. De een had een kwade dronk en werd agressief, een ander had een vrolijke dronk. Maar drinken deden ze eigenlijk allemaal wel. ‘Sommige namen blijven je nog altijd bij. Doordeweeks harde werkers, in het weekend laveloos. Vrijwel allemaal stevige rokers, en ’s maandags platzak, geen cent om een pakje shag te kopen. Het Leger des Heils had de mogelijkheid shag op de pof te kopen, dat werd verrekend met het zakgeld. Soms ‘vergiste’ ik mij bij het verrekenen in het voordeel van de thuisloze. Wat is nu acht gulden voor een week hard werken,’ vertelt Aart-Jan glimlachend als hij terugdenkt aan die tijd.

Heilsofficier Nel Bilder spreekt mensen aan in de straten van Zutphen. Foto: Yentl hofs

Hoewel het Leger des Heils vaak gezien wordt als een genootschap waar geen grapjes gemaakt kunnen worden, weet Aart-Jan mij genoeg grappige anekdotes te vertellen. Hij was zelf nog maar twintig, toen hij samen met Nel in Utrecht belandde. ‘Ik werkte er nog maar een week, toen de kok ziek werd,’ herinnert hij zich nog, ‘het was zaterdag, drank was in de man, ik werkte en ik moest ook nog koken. Macaroni, nog nooit gekookt, het was een grote deegbal geworden; ik had de macaroni niet met koud water afgespoeld. Bij het opdienen zette een thuisloze zijn bord op de grond en riep: ‘Bello, eten!’ En bij ziekte van een chauffeur ging ik mee kleding ophalen. Er waren plastic zakken voor kleding uitgezet in de wijk en die moesten worden opgehaald. Met een volle wagen en twee thuisloze hulpen reed ik terug. Toen ik bij het stoplicht met de vrachtwagen optrok, bleek de deur van de laadruimte niet goed afgesloten. Vrijwel alle zakken over straat en een flinke opstopping als gevolg.’

Heilsofficier met kinderen

Na twee jaar te hebben gewerkt bij de locatie in Utecht, werden Nel en Aart-Jan overgeplaatst naar Enschede. Een (toen) net gebouwen flatgebouw met voor iedereen een eigen kamer. De opzet, zo vertelt Aart-Jan, was precies hetzelfde als in Utrecht. Ze waren twee jaar ouder, hadden twee jaar meer ervaring en een kind van inmiddels één jaar oud.‘Ik weet nog goed dat er een thuisloze was, altijd netjes in pak, een eenling in de thuisloze wereld, reed nooit mee in de bus naar de dagbesteding, liep altijd en bemoeide zich niet met wat er om hem heen gebeurde. Ik werd gebeld door de ABN-AMRO bank. De thuisloze had een week geleden vijfentwintig gulden gestort op nieuw geopende bankrekening. En afgelopen vrijdag aan de balie vijfhonderd gulden opgenomen, het was druk, er was niet genoeg saldo, doch de thuisloze had gezegd dat zijn salaris er binnenkort op zou komen. Salaris? Welk salaris?’ blikt Aart-Jan terug naar die tijd.

Hij en Nel bleven een jaar in Enschede, waarna ze met inmiddels twee kinderen naar Rotterdam verhuisden. Het gezin woonde intern in het pand aan de Coolhaven. Er was in totaal plaats voor 110 daklozen; tachtig thuislozen en dertig passanten. De passanten kwamen maar voor één nacht, met name zwervers en drugsverslaafden die leefden rond het Centraal Station. De tachtig thuislozen hadden hier, net als in Enschede, een eigen kamer, de passanten een slaapcabine op een slaapzaal. ‘De meest enerverende baan in de thuislozenzorg die ik heb gehad,’ noemt Aart-Jan het, ‘er gebeurde altijd iets waar je niet op gerekend had. Zo waren wij op een zaterdagmiddag onze dochter kwijt, die was toen vier jaar oud. We hebben het hele gebouw rondgekeken en maakten ons zorgen, ze was al een uur zoek. Gezien de privacy konden we ook niet alle kamers doorzoeken. Vanaf de ingang kon je de hele Coolhaven bekijken. In de verte kwam een man aangelopen, aan z’n hand een kind, in de andere hand een bos bloemen. Hij kwam dichterbij. Het was een van de thuislozen, onder invloed, met onze dochter aan de hand. Piet had geen kwade bedoelingen, hij was samen met onze dochter bloemen wezen kopen voor haar mama, want morgen zou het moederdag zijn. De schrik zat er flink in.’ Een grappig verhaal waar achteraf hard om gelachen wordt, maar ook een van de redenen dat Aart-Jan en Nel geen heilsofficier meer zijn: ‘Intern wonen met kinderen in een tehuis is geen goede keuze.’

De ouders van Nel Bilder bij de ‘kerstpot’. Foto: archief Leger des Heils

Zoals ik al aangaf is er veel veranderd in de loop der jaren. Aart-Jan wil dan ook nog even benadrukken dat het toen een hele andere tijd was: ‘Mijn verhaal gaat over mijn werk in de jaren 1970 tot 1980. Een andere tijd als nu. Met meer dak- en thuislozen, andere problematiek.’ Wat echter onveranderd is gebleven, volgens hem, is dat nog altijd iedereen dak- of thuisloos kan worden: ‘De samenleving is complex. Ben je kwetsbaar of bevind je je in een kwetsbare situatie, dan kan het je maar zo gebeuren. Je zoekt je heil in alcohol of drugs, raakt je baan kwijt, relatie lijdt eronder…’

Na een enerverend jaar in de Rotterdamse thuislozenzorg stopten Aart-Jan en Nel met het werk in de daklozenzorg. Het heen en weer verhuizen met hun twee kinderen – en later twee pleegkinderen – was niet ideaal. Ze settelden zich in het oosten van het land en hielden, ook nadat hun wegen scheidden, contact. Op familieverjaardagen wordt er tot op de dag van vandaag nog gelachen om de gebeurtenissen uit die tijd.

Nel bleef zich ook na die tijd actief inzetten bij het Leger, trad in de voetsporen van haar ouders en was bijna tien jaar lang officier bij het Leger des Heils. Nu, drieënvijftig jaar nadat ze heilsoldate werd, is ze nog altijd envoy bij het Leger, en doet ze een aantal weken in het jaar vrijwilligerswerk als geestelijk verzorger in het hospice van het Leger des Heils.

Zware decembermaand

Met ruim vijftig jaar ervaring in het Leger weet Nel mij dan ook als geen ander te vertellen dat de kerstperiode altijd een moeilijke periode is. Om de tijd van het jaar ietwat te verzachten, worden er kerstpakketten samengesteld. Afgelopen jaar door Nel zelf. ‘Ik ben naar de supermarkt gegaan en heb allemaal wat luxere producten gekocht,’ vertelt Nel. Als ik opmerk dat het mij erg dankbaar werk lijkt, bevestigt ze dit: ‘Vooral in de decembermaand krijg ik vaak telefoontjes op de telefoon van het Leger. Laatst was er een jonge moeder met een baby die in het weekend geen geld meer had voor babyvoeding. Dan ga ik erheen om die vrouw te voorzien van babyvoeding. Een ander telefoontje was van een moeder die helemaal in de stress schoot door lootjes trekken op school, bij haar kinderen. Ze was helemaal in tranen, omdat ze geen vijf euro had voor haar dochtertje.’ Om deze mensen te kunnen helpen, is er daarom iedere decembermaand de kerstpot. Dat is een grote, rode collectebus waarmee in de stad geld wordt opgehaald voor kerstpakketten, maar ook voor dit soort noodtelefoontjes.

Om te zien wat er nu precies gebeurt bij zo’n kerstpot ben ik met Nel meegegaan naar de kerstpot in Zutphen. Het geld van de kerstpot in Zutphen komt dan vaak ook terecht bij de families en gezinnen rondom Zutphen, want ook hier, aan de rand van de Achterhoek, is er sprake van armoede.

Een voorbijganger deponeert geld in de kerstpot van het Leger des Heils. Foto: Yentl Hofs

In verschillende shifts staan de vrijwilligers van het Leger des Heils bij de pot, allemaal gehuld in een jas met op de achterkant ‘together we’re one.’ Sommigen spelen muziek, anderen delen kleurplaten en potloodjes uit aan de kinderen die voorbijlopen. Wat mij opvalt, is dat – misschien omdat december de maand van geven is – veel mensen even stil blijven staan om een bijdrage in de pot te doen. Er komen veel leuke reacties van voorbijgangers die roepen dat het traditie is om in december iets in de kerstpot te doen of enthousiaste mensen die de vrijwilligers alvast de beste wensen toewensen. Een van de voorbijgangers, een vrouw die zelf ook in armoede leeft, gooit haar laatste vijf euro briefje van de week in de pot. ‘Omdat ik weet hoe het voelt om niet genoeg geld te hebben,’ zegt ze daarbij tegen Nel, waarna ze weer op haar fiets stapt. Een kippenvel-moment, vind ik zelf, en vooral een goed voorbeeld waarbij we kunnen zien wat het Leger des Heils betekent voor de mensen. En hoe dankbaar de mensen daarvoor zijn.

Kleding voor gevangenen

Als ik met Nel vanaf de kerstpot naar de legerboetiek (ook wel de kledingbeurs) loop, wordt zij gebeld op de telefoon van het Leger des Heils. Een vrouw wil graag weten of er ook winterjassen voor kinderen in de boetiek hangen en hoe duur die zijn.

De kledingbeurs is denk ik een zaak waarvan veel mensen het Leger des Heils wel zullen kennen. Kledingstukken die niet meer gedragen worden, kunnen in vuilniszakken in de kledingcontainers van het Leger des Heils gedaan worden. Dat wordt vervolgens uitgezocht door de vrijwilligers van de kledingbeurs.

Ilse, de dochter van Aart-Jan en Nel, was een aantal jaar geleden ook vrijwilliger bij de legerboetiek. Met een paar andere vrijwilligers zocht zij de kleding uit. Ilse weet nog dat ze destijds regelmatig oproepen kregen van de gemeente of van instanties: ‘Of we een doos met kleding konden maken voor een gezin die niks meer had. Dan werden de maten doorgegeven en maakten we setjes. Ook voor gevangenen die niks meer hadden.’

Een andere tijd

Er is veel veranderd sinds 1970 bij het Leger des Heils. Het drugsgebruik, en dus ook het aantal drugsverslaafden, is toegenomen, maar leven er ook minder mensen op straat tegenwoordig. De dagbestedingen zijn uitgebreid tot creatieve werkplekken en we kunnen bellen als we hulp nodig hebben. Maar er zijn ook dingen die onveranderd blijven bij het Leger des Heils, zoals de kerstpot die er al jaren staat, iedere decembermaand opnieuw. En de oneindige kansen die er worden gegeven, want als het je vandaag niet lukt, lukt het je morgen misschien wel.

 

Thanks! You've already liked this
3 reacties